Artikel

Geene Haken als Bootshaak te slaan
Over de Schager messen en hun makers
Inleiding
Schager messen zijn bij heel veel inwoners van Schagen en wijde omgeving
bekend. Het kan zelfs heel goed zijn dat er ergens in een laatje of een kastje
nog een vergeten Schager mes ligt.
Zo heb ik dat althans ervaren. Een oproep in de Kakelepost, het verenigingsblad
van de Historische Vereniging Schagen, wat later gevolgd door een artikel
in de Schager Courant, en nog later in het kwartaalblad van het Historisch
Genootschap, leverde boven verwachting veel reacties op.
Zo’n 140 Schager messen konden worden getraceerd, opgemeten en gefotografeerd.
Voor zo’n 80% waren dit messen met een zilveren heft. Messen die
cadeau werden gedaan bij huwelijk of verjaardag en soms dan ook voorzien
werden van initialen. Dat laatste biedt nu een mooi houvast om de herkomst
van het mes te bepalen. Deze zilveren heften waren redelijk waardevast en dus
ook in trek als geldbelegging.
De andere 20% betreft Schager messen met een houten, benen of ivoren heft.
Deze werden gemaakt door heftenmakers. Er zijn er aanmerkelijk minder
van bewaard gebleven. Vraag is dan natuurlijk of er ook minder van gemaakt
zijn. Wie het weet, mag het zeggen! Feit is wel dat de meeste messen met een
prachtig gesneden heft op grond van de ingesneden jaartallen vrijwel allemaal
gedateerd zijn rond de jaren 40 en 50 en zelfs 60 van de negentiende eeuw.
En rond die tijd werden er nauwelijks nog nieuwe Schager messen gemaakt!!
De Schager messen die bewaard zijn gebleven zijn zonder uitzondering luxe
siermessen. Er zijn nauwelijks opgravingsgegevens over het centrum van
Schagen bekend en deze verstrekken vrijwel geen gegevens over de voor ons
relevante periode.
De bewaard gebleven Schager messen zijn vrij klein - zo’n 12 tot en met 17
cm. - en zeker nier bedoeld voor dagelijks gebruik. Daarvoor zijn ze te mooi
en ook te goed bewaard.
Als we er echter van uit gaan dat de enkele tientallen messenmakersbazen -
en op het hoogtepunt waren dat er ruim dertig! – dagelijks messen maakten,
dan moeten er in de ruim 250 jaar messen maken in Schagen waarschijnlijk
duizenden messen gesmeed zijn. Dat zijn natuurlijk niet allemaal luxe messen
geweest. Het merendeel bestond waarschijnlijk uit gewone, recht-toe-rechtaan
messen voor dagelijks gebruik. Niks mooi gesneden of zelfs zilveren heft.
Gewoon een simpel houten heft. Maar deze messen zijn niet bewaard gebleven.
Eenmaal versleten, zijn ze weggegooid en vrijwel nooit teruggevonden.
Het ‘dagelijkse’ Schager mes zal misschien wat groter en grover zijn geweest
dan de bewaard gebleven luxe messen. We mogen er wel van uitgaan dat de
vorm en de manier van maken vrijwel identiek is geweest: vrij slank, mespunt
omlaag en…. een kraag bij de aanvang van het heft. Wat betekent dat er in
Schagen messen met een angel gemaakt werden en dat het plaatheft hier niet
voorkwam.
Onder de getraceerde Schager messen vinden we exemplaren van ‘diverse
pluimage’: onverdachte messen, messen met merken die erop lijken, messen
met vreemde merken.
Aangezien de messenmakerij in Schagen is verdwenen als gevolg van de concurrentie
vanuit Solingen, was bestudering van het twee-delige standaardwerk
over de ‘Solingen handwerkszeichen’ van Erika Schlesinger noodzakelijk. Uit
dit onderzoek wordt zonneklaar hoe deze concurrentiestrijd is gevoerd.
Ter herinnering aan deze unieke industrie heeft de Molenstraat op het straatnaambordje
de ondertiteling ‘Messenmakersstraat’ gekregen. Rest ons vooral
zuinig om te gaan met wat nog overgebleven is.
Fred Timmer Oktober 2018
I Het messenmakersvak
Als de eerste messenmakers uit Schagen rond 1570 in beeld komen heeft de
plaats al zo’n 150 jaar stadsrechten en is het al meer dan 100 jaar bestuurlijk
centrum van de heerlijkheid van Schagen en de Schager- en Niedorperkogge.
Bovendien heeft de stad vanaf 1463 officieel marktrecht: een donderdagse
weekmarkt voor zowel vee als allerlei goederen - waarbij de aanwezigheid
van de waag van groot belang is. En twee meerdaagse jaarmarkten.

Het marktrecht van Schagen van 10 februari 1463.
In inwonertal is Schagen in 1570 echter nog steeds een dorp.
De bevolkingsgegevens uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn schaars. Gelukkig voor ons was
de toenmalige overheid in de persoon van de graaf van Holland zeer gebaat
bij een goed functionerend belastingstelsel en daarvoor moest de bevolking
met enige regelmaat geteld worden en moest men bovendien inzicht hebben
in de uitgeoefende beroepen.
Schatting van de bevolkingsomvang van West-Friesland en Schagen tussen 1335 en 1622.
Die bevolkingsgegevens zijn bekend uit 1335, 1477, 1494, 1514 en (door berekening) uit 1622.
Dirk Burger van Schoorel meldt in 1710 in zijn ‘Chronyk van de ganstsche
oude Heerlykheydt van het Dorp Schagen’: “Ik hebbe bevonden in een oud
Quohierboek, oud omtrent 90 jaar en daar in getelt dat er binnen Schagen
waren 432 Huisgezinnen, waar in waren 1619 Menschen, zoo oud als jong, en
buiten op de Buurten waren 232 Huisgezinnen, en daar inne 1116 Menschen,
zynde te zamen 2735 Menschen, behalve de Dienstboden, Kostgangers en
Slapers &... Doch naderhand, door ordre van haar Edel Mogende Gecommitteerde
Raden van het Noorderquartier in den jare 1673. Gelast zynde onder
Eede, haar afgenomen by Gecommitteerde uit de Steeden daar toe genomineert,
omme op te nemen, niet alleen alle Familien zoo als zy waren, maar ook
ieders, gelegentheid, bereoepinge en handteringe; en is bevonden te bedragen
het getal van 1803 perzoonen, ’t welk ons kan dienen tot een klaar vertoog
van de gestadige veranderinge van alle ondermaansche dingen...”. Burger van
Schoorel komt met zijn 2735 inwoners rond 1620 wel heel dicht bij het voor
1622 door Van Dillen berekende aantal van 2638, maar meldt meteen voor
1673 een enorme terugloop met maar liefst 932 inwoners. Oorzaak: de economische
malaise die het West-Friese platteland treft.
Alhoewel wij het ons nu nauwelijks meer voor kunnen stellen zijn onze streken
tot het midden van de veertiende eeuw bedekt geweest met een dik pakket
hoogveen waarop vooral akkerbouw de boventoon voerde. De kaart van Blaeu
uit 1632 toont bij vrijwel iedere boerderij een boomgaard. De Schager appelen
zijn in die tijd vermaard. Op een kaartje uit 1561 is achter het Slot de grote
boomgaard van de heer van Schagen te zien, goed voor een jaarlijkse pacht
van 700 guldens, waarbij er voor de pachter ook nog een belegde boterham
overbleef.
Er vindt echter een omslag plaats. Door bodemdaling worden de boeren in de
veertiende eeuw al gedwongen de akkers om te zetten in grasland en over te
gaan op het houden van schapen en runderen. Aanvankelijk vooral in de vorm
van vetweiderij. Pas later, als men met behulp van windwatermolens de wateroverlast
de baas kan, is er plaats voor de ons nu bekende melkveehouderij.
In tegenstelling tot alle omliggende dorpen heeft Schagen, zoals gezegd, vanaf
1463 marktrecht. De wekelijkse vee- en goederenmarkt trekt mensen vanuit
de wijde omgeving. Op het platteland voorziet ieder huishouden nog heel
lang zoveel mogelijk in eigen behoeften. Het boerengezin, meestal geholpen
door een aantal meiden en knechten, bakt zelf brood, slacht het eigen vee,
conserveert het vlees voor de winter, spint zelf wol en verwerkt de garens voor
eigen gebruik. Maar niet alles kan men zelf. Voor sommige werkzaamheden is
een specialist nodig en daarvoor kan men terecht in de bekende en vertrouwde
marktplaats. Schagen zal zeker de gebruikelijke ambachtslieden hebben
gehad: timmerlieden, metselaars, schilders en smeden, een wagenmaker en
een zadelmaker voor al het tuigwerk. En de klokkenmaker, de edelsmid, de
koppendraaier, de kleermaker en de landmeter zullen zeker niet alleen maar
voor de lokale bevolking hebben gewerkt. Maar al deze gespecialiseerde
vakmensen waren te gering in aantal om het bestaan van een ambachtsgilde
te rechtvaardigen zoals die in alle wat grotere steden bestonden. Jammer voor
het historisch onderzoek, want de gilde-archieven vormen doorgaans een rijke
bron voor de geschiedenis van de ambachten. Alleen de Schager goud- en zilversmeden
vinden we terug in de gilde-archieven van Alkmaar en Hoorn – of
zelfs in allebei. Alle goud- en zilversmeden en ook de handelaren in goud- en
zilverwerk – de zgn. galanterie-winkels - waren van overheidswegen verplicht
lid van een gilde omdat controle op hun werk noodzakelijk was vanwege het
goud- en zilvergehalte van de in omloop zijnde munten.
Van grofsmid naar messenmaker
Op 23 januari 1570 tekent Cornelis Hemkes een zogenaamde vrijwaringsakte
in verband met een geldlening die ene Aelbert Luijtgesz. heeft bij Trijn Simons.
Samen met enkele anderen stelt Hemkes zich garant voor de terugbetaling
van het bedrag. Op zichzelf niets bijzonders. Er zijn meer van dit soort akten
te vinden in de archieven. Zo garandeerde men in de zestiende eeuw enige
zekerheid aan mensen die bereid waren geld uit te lenen. En het voldeed ook,
want binnen de kleine woongemeenschappen van toen kende men elkaar en
was het niet moeilijk om elkaar op gemaakte afspraken aan te spreken. Geen
bijzondere akte dus? Ware het niet dat er in deze akte één opvallend feit wordt
vermeld: Cornelis Hemkes noemt zich messenmaker – hij is de enige ondertekenaar
van wie het beroep wordt vermeld! Daarmee onderscheidt hij zich van
de anderen. Is zijn beroep nieuw en dus bijzonder? Of heeft hij een naamgenoot
en wordt op deze manier duidelijk gemaakt wie men bedoelt? Het is in
ieder geval de eerste akte waarin een messenmaker wordt genoemd; twintig
jaar later komen we ze regelmatig tegen.
Natuurlijk worden er al eeuwenlang messen gemaakt. Ook in Schagen.
Vanouds vervaardigt de plaatselijke smid alle binnen een woongemeenschap
benodigde gereedschappen, of dat nu gaat om een zeis, een schep, een ploegschaar,
hoefijzers voor het paard, spijkers of... een mes. De smid moet een
alleskunner zijn. Met behulp van vuur en water en eindeloos gehamer dwingt
hij het ijzer in de gewenste vorm. Daarom heeft iedere woongemeenschap,
hoe klein ook, een smid in haar midden en is de smid een gerespecteerd en
gewaardeerd ambachtsman. Hij is een onmisbare schakel in het dagelijks
bestaan.
Is deze Cornelis Hemkes in Schagen misschien één van de eerste smeden die
brood ziet in een specialisatie als messenmaker? Het lijkt er in ieder geval op.
Er zijn helaas maar weinig boedelbeschrijvingen van smeden in de Schager
archieven bewaard gebleven – en al helemaal niet uit de tweede helft van de
zestiende eeuw. Er is echter wel een boedelbeschrijving bewaard gebleven van
later datum. Deze is opgemaakt na het overlijden van Hendrik Jansz. Bes op
26 april 1743. Dat is weliswaar 175 jaar later dan Cornelis Hemkes, maar de
situatie is enigszins vergelijkbaar: Cornelis Hemkes waagt de sprong van meer
algemene grofsmid naar het fijnere werk van de messenmaker; Bes noemt zich
weliswaar messenmaker – woonachtig in de Molenstraat - maar ziet zich door
het teruglopen van de verdiensten gedwongen ook (weer) algemeen smidswerk
aan te pakken. Bovendien houdt hij – als appeltje voor de dorst - een
Inventaris Smidswinkel Bes 1743
vijftal vetweidkoeien, een paar schapen met lammeren. En hij bezit nog een
oud paard dat waarschijnlijk dagelijks in de slijpmolen loopt. De boedelbeschrijving
geeft - apart - de inventaris van de ‘smidswinkel’ en daaruit blijkt
duidelijk dat hij, wellicht noodgedwongen, beide takken van het smidswerk
beoefende. Enerzijds heeft hij een enorm aantal ‘graven’ (een schop,schep),
‘paarde ijsers’ (hoefijzers) en ‘33 paar schaaden’ (schaatsen) in voorraad, anderzijds
zijn er ook ‘messenmakers stoff’ en íjserenroede’ (beide grondstoffen
voor messen) aanwezig.
Dat het messenmakersvak voor alles vooral een specialisatie -noem het een
verfijning – van het smidsvak was, blijkt vooral uit de gereedschappen die de
messenmaker gebruikt. Op 5 mei 1653 leent Jasper Cornelisz. van zijn moeder
Trijn Jaspersdr. 100 Carolusguldens om messenmakersgereedschap te kopen.
Jasper begint kennelijk voor zichzelf en schaft een volledige inventaris voor
zijn smederij aan: twee balgen, twee (bank)schroeven, een aambeeld, drie
tangen, vier hamers en een aantal vijlen. Over slijpstenen of een rosmolen om
slijpstenen aan te drijven wordt niet gerept, maar het is natuurlijk mogelijk dat
hij dat werk uitbesteedde of bij een andere messenmaker inhuurde. De inrichting
van de messensmederij van Jasper Cornelisz. is niet spectaculair, maar wel
bruikbaar.